Kwaliteit van rechtspraak

Wordt het werk van de rechter wel gecontroleerd?
Als arts, die op latere leeftijd rechten is gaan studeren en daarmee  ‘zij-instromer’  in de wereld van het recht en rechtspraak, heb ik me zeer verbaasd over de opvallende afwezigheid van enige systematische kwaliteitstoetsing van rechtspraak. We hebben een periode achter de rug waarin een reeks indrukwekkende strafrechtelijke dwalingen aan het licht is gekomen zoals de Schiedammer parkmoord, de Puttense moordzaak, de zaak Lucia de Berk, de zaak Ina Post – om er enkele te noemen. Was dat eigenlijk niet een wake-up call om meer – en vooral systematisch – aan kwaliteitstoetsing van rechtspraak te gaan doen?

Al waren dit allemaal strafrechtelijke dwalingen, zijn er dan in het civiele, familie- of het bestuursrecht geen dwalingen gemaakt? Hebben zaken uit die domeinen ooit de krant gehaald omdat er door de rechters was gedwaald? Nee, want dat is publicitair oninteressant want er worden geen mensen ten onrechte achter de tralies gezet. Wel moeten er – soms forse – schadevergoeding worden betaald, maar vaak is een verzekeraar dan de klos.
Maken rechters dan nooit fouten maken? Seneca stelde al scherp: errare humanum est, perseverare diabolicum – zich vergissen is menselijk, maar volharden is des duivels. Rechters bezitten geen bovenmenselijke kwaliteiten en zijn zeker niet onfeilbaar.
Het kan dus gewoon niet anders dan dat er bij het rechtspreken fouten worden gemaakt. Bij nauwkeurig zoeken, blijken fouten vaker voor te komen dan werd verondersteld. Misslagen moeten  zichtbaar worden  en vervolgens  kan er dan iets mee gedaan worden om herhaling ervan te voorkomen.

Bij civiele rechtspraak is er sprake van een ondraaglijke terugkoppelingsasymmetrie

De fouten die ik als arts heb gemaakt, werden me duidelijk doordat bijvoorbeeld dat een eerder gestelde diagnose door nieuwe informatie onhoudbaar bleek of wanneer de patiënt niet reageerde op de ingestelde behandeling en de kwestie opnieuw bekeken moest worden. Om fouten te kunnen ontdekken, heb je dus steeds terugkoppeling nodig. En dan liefst een systematische toetsing en niet afgaan op incidentele ontdekkingen. Want pas met een systematische controle heb je  een breed overzicht over de kwaliteit van het eigen juridisch handelen.

Belang van methodologie: je moet werkwijzen ontwikkelen om fouten op te sporen en die misslagen dienen vervolgens systematisch worden onderzocht om te zien waar en waardoor het misging. Dan kunnen maatregelen worden genomen om herhaling te voorkomen want volharden in misslagen is, zoals eerder gezegd,  des duivels. Zo’n onderzoek wordt onderscheiden in procestoetsing (deden we wel de goede dingen en werden die daarna goed uitgevoerd?) en uitkomsttoetsing (was dit het juiste resultaat?).

Je kunt een dergelijke controle retrospectief of prospectief uitvoeren. Een prospectieve benadering vraagt ook om nadenken over de verslaglegging van het werk in het dossier, de organisatie van databestanden (elektronische dossiers, rechtspraak.nl) en de vormgeving van het (tussen)vonnis en het coderen daarvan.

Wie hierover meer wil weten, leze dit artikel: Kwaliteit vonnissen Daarin worden genoemde kwestie verder uitgewerkt.

Ook ter lezing aanbevolen:  2010 EeR Heraclites en Parmenides voor de rechter en het artikel over deskundigenonderzoek van Giard & Merckelbach NJB 2018
Zie over het belang van terugkoppeling ook het WRR-rapport Speelruimte voor transparantere rechtspraak (m.n. par. 5.2.1. en 9.6.1).
https://www.wrr.nl/onderwerpen/rechtspraak-en-transparantie/documenten/verkenningen/2013/01/17/speelruimte-voor-transparantere-rechtspraak—26